Research Intelligence maakt benchmark voor Cancer Center Amsterdam

Data-analyse en vergelijking met twintig andere (inter)nationale onderzoeksinstituten.

09-03-2020 | 13:38

Om te weten hoe het Amsterdam UMC Cancer Center Amsterdam zich tot andere onderzoeksinstituten wereldwijd verhoudt, krijgt de Universiteitsbibliotheek van hen de opdracht een benchmark te doen. “In twee weken tijd verzamelden we gegevens van eenentwintig instituten. Alleen dat al was een flinke klus”, vertelt René Otten van het team Research Intelligence van de Universiteitsbibliotheek. We vragen programmamanager Gitta Kuipers van het Cancer Center Amsterdam hoe de opdracht verlopen is.

“In 2016 ben ik gevraagd om de onderzoeksinstituten voor kanker van destijds AMC en VUmc nu Amsterdam UMC, samen te voegen. Samen hebben we bijna vijftienhonderd onderzoekers in dienst die op allerlei gebieden kankeronderzoek doen: van fundamenteel in het laboratorium tot klinisch in het ziekenhuis. Samen bestuderen deze wetenschappers heel veel typen tumoren.” GittaKuipersKlein

Het Cancer Center Amsterdam (CCA) is onderdeel van Amsterdam UMC, dat sinds juni 2018 bestaat. Het centrum wilde weten waar ze staan ten opzichte van andere onderzoeksinstituten. Waar zijn ze sterk in en in welk onderzoek doen ze het minder goed ten opzichte van andere instituten? “We wilden een analyse, een vergelijking. Voor de benchmark wilden we de gegevens laten vergelijken van nationale en internationale spelers op het gebied van kankeronderzoek. Partijen die in onze ogen belangrijke spelers zijn in het veld. Met deze vraag benaderden we de Universiteitsbibliotheek.”

Aan de slag met de benchmark
Acht Nederlandse academische centra, verschillende onderzoekscentra in Europa en kankerinstituten uit de rest van de wereld werden meegenomen in deze benchmark. Het team Research Intelligence (RI) ging aan de slag met de vragen van het CCA. Samen met een aantal collega’s van RI begint René Otten aan deze gigantische opdracht. “In twee weken tijd verzamelden we de gegevens van het CCA en twintig andere instituten. Hoe presteert het CCA ten opzichte van deze organisaties? En we wilden weten welke wetenschappelijke impact de instituten hebben in hun onderzoek naar dertien kankersoorten. Hoe verhoudt het CCA zich per type kanker tot die andere instituten?” Kuipers vult aan: “René en ik zijn samen gaan zitten om voor elk type kanker te kijken onder welke categorie dit type kanker valt. Zo hebben we nierkanker, blaaskanker en prostaatkanker ingedeeld onder de categorie urologische kanker. En gastro-intestinaal, dat is heel breed. Daar vallen veel kankersoorten onder. We hebben bekeken wat voor ons de voornaamste tumortypen zijn waar we onderzoek naar doen en deze zijn meegenomen in de benchmark.”

Nadat René Otten op basis van de indeling van de categorieën aan de slag was gegaan, zijn hij en Gitta Kuipers opnieuw bij elkaar gekomen voor de finetuning van de indeling. Verder categoriseren, wat hoort bij wat, opzoeken, afstemmen. Kuipers: “We hebben een zo uitgebreid mogelijke lijst met zoektermen samengesteld van de tumorsoorten.” Daarmee werd een grondige basis voor de benchmark gelegd. “Gaande het proces hebben we nog wat dingen aangepast. Bijvoorbeeld toen we zagen dat er soms publicaties uit de zoekresultaten kwamen die niets met kanker te maken hebben. Dan stel je dat bij.”

“We kunnen heel goed zien waar we nu staan.”
Kuipers vervolgt: “Het team Research Intelligence heeft ons in het voortraject vragen gesteld als: Welke tijdsperiode neem je nu mee in de vergelijking met de andere instituten? Kijk je alleen naar de impactfactor van een journal of kijk je ook naar de citaties over de jaren heen? En welke jaren moet je dan nemen om een goed beeld te krijgen? Dat is natuurlijk heel fijn, want daar hebben zij de meeste kennis van.” “We hebben onder andere gekeken wat het CCA aan wetenschappelijke artikelen heeft gepubliceerd”, vervolgt Otten, “Hoe vaak zijn de onderzoekers geciteerd? In welke tijdschriften zijn hun artikelen gepubliceerd? Hoe vaak werden de wetenschappelijk artikelen gepubliceerd in de top één procent van meest geciteerde tijdschriften?” Uit de vergelijking die het team RI maakte, bleek onder meer dat de publicaties van het CCA op het gebied van hersentumoren voor meer dan 10% in de top 1% meest geciteerde publicaties stonden versus circa 5% voor de instituten waarmee vergeleken werd en versus 1% als wereldgemiddelde.

Overzicht en inzicht
Kuipers: “We kunnen dankzij het onderzoek heel goed zien waar we staan. Per domein hebben we een overzicht hoe we ons verhouden tot andere instituten in Nederland en andere landen. Alle categorieën die we gedefinieerd hebben, zien we terug in de rapportage. De hoeveelheid publicaties, de gemiddelde impactfactor van een journal. Op het domein van gastro-intestinale tumoren publiceren we heel veel. Dat wisten we al, maar de gemiddelde journal impactfactor ligt wat lager dan gemiddeld. Dat hoeft geen probleem te zijn, maar je kan op basis daarvan wel bepalen of je daar iets mee wil doen. Je kunt binnen je eigen instituut heel goed zien op welke gebieden we het beter doen dan op andere vlakken. Verder kun je de analyse van alle instituten samen bekijken of je kunt het per instituut bekijken. Heel mooi: je kunt van elk instituut het profiel zien en je kunt ze ook samenvoegen in één weergave. Je kunt echt heel veel informatie uit deze analyses halen.” Kuipers is duidelijk enthousiast over de manier waarop de rapportage gepresenteerd is door het team RI.

Naast een (papieren) document met een grafische weergave van de resultaten heeft Jordy Gevers van het team RI een online versie van de analyse gemaakt. Die biedt de mogelijkheid tot een selfservice visualisatie. Hierin kun je zelf een keuze maken welke instituten en welke kankersoorten je in een grafiek wilt zien. Het CCA heeft zelf de feitelijke duiding van de benchmark gedaan. “De bibliotheek heeft uitgelegd hoe je de rapportage moet lezen en hoe je de cijfers en overzichten interpreteert. De conclusies die we er daaraan hangen, die hebben we zelf gemaakt.”

Meerwaarde van het CCA
Als programmamanager is Kuipers dagelijks bezig met het bij elkaar brengen van de onderzoekers van het CCA. Ze organiseert bijeenkomsten om de samenwerking tussen de locaties AMC en VUmc te bevorderen. “Daardoor leren mensen elkaar steeds beter kennen en weten ze elkaar goed te vinden. Ze werken meer samen. Dat is echt een meerwaarde. We zijn niet langer op twee plaatsen hetzelfde aan het doen, zonder dat je dat van elkaar weet. Het is ook steeds minder relevant op welke locatie je werkt. En je merkt het ook steeds minder.”

Wil je weten wat Research Intelligence kan betekenen voor jouw werk? Neem dan contact op met team Research Intelligence van de Universiteitsbibliotheek.

Meer weten? Lees Dit kan de UB-dienst Research Intelligence voor onderzoekers betekenen


TeamResearchIntelligenceHighlightDeze